De hond was ziek. Ze lag in haar mand, met een droge neus en zonder eetlust.

Met name dat laatste was opmerkelijk. Sinds de sterilisatie waren de hongergevoelens verdrievoudigd. De manier waarop ze me tegenwoordig ‘s avonds begerig aankeek als ik op de bank zat maakte dat ik mijn enkels preventief bedekte als ik het gevoel had dat ik in slaap ging vallen.

Maar goed, het hele huishouden was in rep en roer. De hond was tenslotte ieders favoriete huisgenoot. De jongste kwam aan met de verbandtrommel, want ‘je weet nooit wat helpt’. De oudste vond in het medicijnkastje pilletjes tegen wagenziekte. Ik wist ook niet wat ik moest doen, maar wist wel beter dan dat te zeggen.

‘Laat haar maar,’ zei ik, terwijl ik op Google zocht naar wat te doen als je hond ziek is. Er werd mij geadviseerd licht verteerbaar eten te geven, en de hond te wegen. Net toen ik overdacht hoe ik de hond op de weegschaal zou krijgen (met vier pootjes op dat kleine vierkantje!? Hoe doen ze dat in het circus? Of moest ik haar optillen? Het koude zweet brak me uit: de laatste keer bij de dierenarts woog ze 35 kilo), klonk er een geluid dat veel weg had van een baltsende walvis.

Op de mooie houten vloer lag een aanzienlijke berg dampende brei. Denk pasta carbonara die je een paar dagen in de pan bent vergeten. Iedereen bevroor. We staarden als één man naar het hoopje drab, dat zich langzaam over de vloer begon te verspreiden. De hond bewoog als eerste, en begon het mengsel met de gebruikelijke gulzigheid naar binnen te werken.

‘Gadverdamme,’ bracht de oudste uit, en maakte kokhalzende geluiden. 

‘Geen paniek,’ riep ik, want dat roep ik altijd als de pleuris uitbreekt. ‘Misschien hoort dit er bij.’ Het hoorde er niet bij: de hond zette een paar wankele stappen (richting tuindeur, die geef ik m) en braakte het hele goedje opnieuw uit. Dit keer op de deurmat.

‘Gloeiende tering,’ schreeuwde ik, want je moet creatief zijn met je scheldwoorden.

‘Dit is goor,’ zei de jongste en verdween naar haar kamer.

‘Hoor ik mijn telefoon?’ zei de oudste, want die is al een stuk creatiever.

Ik bleef dus over met de hond, die mijn blik ontweek. Een half uur en een deurmat verder was alles weer schoon, en waren we nog steeds met zijn tweeën. Dat was dan wel weer winst.

De hond durfde me nu weer aan te kijken, met de blik die zoveel zei als: ‘lekker rustig hè?’

Ik kreeg het gevoel dat ik nog iets moest zeggen.

‘De volgende keer mag het wat minder omslachtig,’ concludeerde ik. ‘Maar toch bedankt.’

Plaats een reactie