Als ik de opvoedboeken mag geloven, doe ik een hoop verkeerd: ik zeg veelvuldig nee (ipv ze om te draaien naar een positievere handeling), ik stuur de kinderen naar hun kamer als ze een grote mond hebben (ipv hun emoties te valideren) en ik klaag als ze te druk zijn (ipv ze ruimte te bieden kind te zijn).

Tot dusver valt het mee met de gevolgen van dit wanbeleid: mijn kinderen zijn mondig maar nauwelijks brutaal, helpen wel eens mee in het huishouden en buiten het gebruikelijke koekje wordt er weinig ontvreemd thuis. Waarschijnlijk compenseert hun vader een en ander.

(Let wel: de puberjaren zijn nog niet begonnen, dus houd me ten goede. Ik had voor Sinterklaas een puberpakket voor het neefje gemaakt waarbij hij in drie rondes moest laten zien dat hij kon liegen, kon stelen en kattekwaod kon uithalen en dat ging hem allemaal zorgwekkend goed af).

In ieder geval, de kinderen kan ik dus even parkeren. Dan de hond. Die voed ik grofweg hetzelfde op, waarbij we de kamer voor het gemak hebben vervangen door de mand. Ook de hond valt in het algemeen mee, met twee uitzonderingen:

1. Ze heeft wat moeite met sociale omgangsvormen. Om een analogie te gebruiken: als mijn hond een mens was zou ze bij het binnenkomen in de kroeg een volslagen vreemde een kopstoot geven, ‘om het ijs te breken’. In de praktijk komt het er op neer dat ik in het bos luid verontschuldigend achter het beest aandraaf, een spoor van getraumatiseerde honden achterlatend (en laten we eerlijk zijn, hoe zou jij je voelen als je in de rug werd aangevallen door een dolgedraaide klapperrat van 35 kilo?).

2. Het tweede betreft een stukje emotionele beheersing aangaande het lopen naast de fiets. Ik mag graag een rondje fietsen ‘s avonds met de hond en ook zij leek dit leuk te vinden. Maar de laatste tijd gaat het gepaard met een rollercoaster aan sentimenten binnen het hysteriespectrum: woest blaffen, springen, in de riem bijten. Ik schreef het in eerste instantie af als enthousiasme, maar het kan natuurlijk ook verkapte angst of agressie zijn. In dat geval kan deze column als getuigenis dienen wanneer ik met opengereten halsslagader dood naast mijn fiets wordt gevonden.

Maar ik dwaal af. Ik had al mijn opvoedtactieken toegepast op de hond, maar dat deed haar nagenoeg niets. Zelfs mijn zwaarste middel (“als het zo moet, gaan we weer naar huis!”) had niet het gewenste effect. Na een paar avonden chagrijnig het rondje te voet te hebben gedaan, besloot ik al die onaangeroerde opvoedkundige boeken uit mijn kast er eens bij te pakken (NB. Toch opvallend dat ik er zo veel cadeau heb gekregen). De tips vlogen me om de oren, en ik gooide er direct een paar in de strijd.

En verdomd. Het werkte.

Nadat ik op de fiets was gestapt en de hond met haar extatische handelingen was begonnen, negeerde ik het negatieve gedrag: ik draaide mijn hoofd weg en wachtte. Na een tiental seconden was het stil en toen ik durfde te kijken stond de hond me verward aan te staren. Toen ik mijn voet op de trapper zette werd de tweede ronde krankzinnigheid ingezet. Weer: wegkijken, wachten. Toegegeven, ik moest het riedeltje nog een paar keer herhalen, maar daarna was het klaar.

Serieus!

Eerlijk, ik moest er echt even van bijkomen. Mijn hele pedagogische kader stond ineens op losse schroeven.

Moest ik ze nu allemaal op een andere manier gaan opvoeden?

Ik sprak deze gedachten hardop uit tegen de kinderen, die een geschrokken blik uitwisselden. En, ik zweer het, zonder een woord de wisselen de iPad aan de kant legden en een spelletje uit de kast haalden.

Ik doe het er voor.

Plaats een reactie