‘Het is weer luizentijd,’ kopte de nieuwsbrief van school ongepast vrolijk. Ik kreeg spontaan jeuk. Visioenen van de vorige keer dat het deze tijd was drongen zich op. De pijn, de gêne, het ongemak.

Mijn haar is van een structuur die, wanneer geconfronteerd met een luizenkam, evolueert naar een Diana Ross stijl (in haar vroege jaren). Superleuk als je een verkleedfeest hebt, maar het leidt zo af op werk.

Maar misschien nog wel vervelender is het stigma rond luizen. Niet voor niks gaat een luizenbesmetting gepaard met het hoogste privacy-niveau. Het waarom hiervan heb ik door schade en schande ondervonden. In de beginjaren van de basisschool informeerde ik mijn omgeving nog wel eens over het feit dat er luizen gespot waren in de klas. Dit resulteerde in een alarmerende afname van sociale activiteit, zowel voor mijzelf als voor de kinderen.

Nou, daar leert een mens wel van. Ik hield voortaan mijn mond. Ontsnappen was echter niet altijd mogelijk. Zo had ik een keer een oud-collega op de thee, met haar kersverse baby. Ouders weten die periode misschien nog wel: als de eerste fase van paniek voorbij is, en de baby nog heel veel slaapt overdag, bekruipt je het gevoel dat het allemaal wel meevalt, met zo’n wurm. Wat zeuren al die ouders eigenlijk, dat het zo zwaar is? Dan vermoed je: nee, het ligt aan mijn kind, ik heb gewoon de meest fantastische baby ter wereld. En dáárna denk je: nee, het ligt aan mij, ik ben gewoon de beste ouder ooit!

Die fase gaat meestal snel weer over: tegen de tijd dat een kind twee wordt staan de meeste ouders wel weer met beide voeten op de grond (hoewel het meer voelt als met je gezicht in de modder).

Maar goed, deze voormalige collega zat nog in de ‘beste ouder ooit’ sferen, met een vredig slapende baby op schoot, inclusief aandoenlijk roze blosjes. Ik schoof intussen zo onopvallend mogelijk met mijn voet het rondslingerde speelgoed onder de tafel en bedekte strategisch de etensresten van gisterenavond met mijn koffiekopje.

En toen ging de telefoon. School. Of ik de jongste per direct wilde komen halen, want er waren luizen op het hoofd aangetroffen. En om een klassikale besmetting te voorkomen, moest het kind zo snel mogelijk het gebouw verlaten. Ik sprong op en informeerde mijn tafelgenoot over het voorval.

De afschuw op haar gezicht zal ik niet glad vergeten. Ze schoof haar stoel naar achter en legde een beschermende hand op het hoofd van haar zuigeling, terwijl haar andere hand naar haar eigen haar schoot. Ik betrapte mezelf er op dat ik mijn hoofd zat te krabben (maar dat is ieders reactie na het woord luizen).

‘Je hoeft niet weg hoor,’ zei ik nog, maar we wisten allebei dat dit loze taal was. Nog voor ik mijn jas aan had was ze al verdwenen.

Ik heb haar nooit meer gezien.

Dus, voor de nieuwe ouders, die de regels van de luizentijd nog niet kennen: het is ongeveer hetzelfde als bij Fight Club.

Regel 1: je praat niet over luizen

Regel 2: je praat niet over luizen

Regel 3: als je over luizen praat, is het gesprek voorbij.

Plaats een reactie