‘Kom, we gaan iets leuks doen,’ zei ik tegen mijn kinderen.

‘Nee,’ zeiden ze in koor, allebei achteloos hun telefoon een kwartslag draaiend voor het volgende spelletje.

Ik slikte een sneer in – waren ze altijd maar zo eensgezind – want ik had geen zin in discussie. In de gangkast zette ik stiekem de wifi uit. Tien minuten later zaten we in de auto.

‘We hebben honger,’ zeiden de kinderen. Weer zo verdomd gelijkgestemd. Ik keek op de klok. Het was inderdaad ver na lunchtijd. Bij gebrek aan een plan draaide ik het stuur drie keer naar rechts en parkeerde weer voor de deur. Zo ongemerkt mogelijk schakelde ik de wifi weer in, want ik wilde zelf ook weten wat we gingen doen. 

Een half brood en twee koppen koffie later stapten we opnieuw in de auto. 

We belandden op een prachtige, door een waas van bevroren dauw bedekte heivlakte. Het schilderachtige landschap werd vrijwel direct bezoedeld door de hond, die omstandig haar behoefte deed langs het pad. Hierop volgde de gebruikelijke discussie wie dit op moest ruimen, die meestal langs de lijn ‘wie wilde de hond het graagst?’ verloopt. De oudste verloor, ruimde het zaakje op en we vervolgden onze weg.

Terwijl ik aan het oreren was over de mooie omgeving en de frisse, helende lucht waren mijn kinderen stil blijven staan, omdat de hond dat ook deed. Ze snuffelde aan iets wat bij nadere beschouwing het ontbindend kadaver van een niet te herleiden diertje bleek te zijn.

‘Gadver,’ zei de oudste.

‘Cool!’ zei de jongste (dat zijn waarschijnlijk die psychopatische neigingen).

‘Houd die lijn kort!’ schreeuwde een passerende vrouw vanaf haar fiets. Er waren veel sportieve mensen op de heide, vooral hardlopers en fietsers. Hier raak ik altijd geïrriteerd door, maar dat komt met name voort uit jaloezie. Ik wou namelijk dat ik wilde hardlopen, maar ik wil dit nou eenmaal echt niet.

Van beweging zou het vandaag ook niet komen, aangezien de hond de boel behoorlijk vertraagde. Aan elk bosje moest gesnuffeld worden, waarschijnlijk door de lucht van aanwezige konijnen.

‘Mijn tenen zijn koud,’ klaagde de jongste.

‘Nou, hup, in de benen dan,’ probeerde ik optimistisch, en zette er de sokken in. Het kluitje volgde op een drafje, waarbij de hond, niet gewend om aan de lijn te lopen, de riem driemaal om de benen van de oudste wikkelde en die terstond ter aarde sloeg.

Net toen we haar overeind hadden gehesen verscheen de volgende fietser. We sprongen net op tijd opzij.

‘Tjongejonge,’ mopperde de fietser.

‘Waarom zijn fietsers altijd zo bokkig?’ vroeg de oudste.

Dat antwoord moest ik haar schuldig blijven, dus ik mompelde maar iets over zadelpijn. Intussen was het idyllische beeld dat ik eerder had bij het uitje behoorlijk bekoeld, en ik wees de kinderen op het restaurantje, dat zich als een winterse oase in het dichte mistlandschap manifesteerde.

Er was geen plek binnen of bij de haard onder de overkapping, dus we installeerden ons in de buitenring onder dekentjes en warmden onze handen aan mokken hete chocomelk. De hond begaf zich onder de tafel om de gemorste kruimels van onze voorgangers op te likken, en ik nestelde me eens behaaglijk in de stoel.

‘Gaan we?’ opperden mijn kinderen. Ik wees ze op de naburige speeltuin, waarop zij mij wezen op hun leeftijd en de lage temperatuur.

‘Prima!’ snauwde ik, stampte naar binnen en tikte een astronomisch bedrag af bij de kassa. In de auto op weg naar huis deed ik er het zwijgen toe. Op de achterbank werd de balans van het uitje opgemaakt: hoe grappig dat de oudste over de hond was gevallen, hoe gaaf de roofvogel die ze hadden gespot en hoe leuk dat wij lol hadden ondanks al die chagrijnige mensen om ons heen.

Een warm gevoel verspreidde zich langs mijn verkleumde ledematen, en ik prees mezelf gelukkig met zulks fijn nageslacht. Ik besloot dit gevoel zo lang mogelijk vast te houden, ook toen het gekibbel begon over wiens muts dit was, wie thuis als eerste naar de wc mocht en wat er vanavond gegeten moest worden.

Toegegeven: het beklijfde niet de hele dag. Maar wel best lang.

Plaats een reactie