Het was zondagochtend en de hond moest uit. Ik besloot de fiets te pakken – sinds de training gaat dat een stuk beter.
Als hondenbezitter heb je twee opties: of je gaat naar het hondenuitlaatplaatsje, dat een soort mijnenveld van excrementen is. Of je laat je hond zijn behoefte doen op maagdelijke grasveldjes, en ruimt het op met de hiervoor-speciaal-ontwikkelde-en-voorzien-van-vrolijke-motiefjes-die-het-niet-minder-erg-maken-in-de-praktijk-hondenpoepzakjes. Mijn zondagochtend maag kon dat laatste niet aan, en we vertrokken naar de uitlaatplek.
Het was druk, en aangezien het van essentieel belang is dat je op het pad blijft, vanwege dat eerder genoemde mijnenveld, wurmden de eigenaren en ik ons krabsgewijs langs elkaar. Aan het einde van het weggetje had zich een kluitje bejaarde dames verzameld, voorzien van een arsenaal obese viervoeters. Een van de ouden had haar rollator dwars over het pad geparkeerd en leunde er bevallig tegenaan. Met haar mede 70-plussers besprak ze de gezondheidsproblematiek van haar kolossale Rottweiler.
We wensten elkaar een goedemorgen maar het was duidelijk dat er verder geen beweging in de kwestie zat. Behoedzaam begaf ik me op het smoezelige gras naast het pad. Helaas had de Rottweiler hetzelfde idee en voegde zich tussen mij en de rollator. Ik verloor mijn evenwicht, en belandde met mijn rechtervoet in… je snapt ‘m wel.
Ik sleepte mijn getroffen lijf het parkje uit en begon mijn schoenzool schoon te vegen op het aangrenzende en voorheen onbevlekte grasveldje. En daar ging het mis. De hond, met de zintuigen van een uithongerde hamerhaai, had in de luttele seconden dat mijn aandacht verslapt was een halfvolle pizzadoos gevonden en werkte de inhoud in allerijl naar binnen.
‘He!’ riep ik, bij gebrek aan een ingestudeerd commando, wat enkel tot gevolg had de de etenswaar nog haastiger werd opgeschrokt. Vloekend en strompelend (ik had nog niet gecheckt of de onderkant van mijn schoen schoon was) greep ik haar in de lurven, maar het kwaad was al geschied.
‘Sukkel,’ riep ik, en begon aan een preek over hoe slecht pizza is voor honden, dat ze hier zeker buikpijn van zou krijgen en het niet in haar hoofd moest halen om te kotsen want dan zou er pas echt wat zwaaien. Ze onderging de tirade met een wat glazige blik, waarschijnlijk doordat ze tot de nok toe was gevuld met deegwaar.
Ik stampvoette naar huis en deelde het voorval in geuren en kleuren met het nageslacht, dat een verontwaardigde blik uitwisselde. Helaas niet in mijn voordeel.
‘Hoor eens, mam,’ begon de jongste, terwijl ze de hond troostend omhelsde. Het mormel liet het zich natuurlijk welgevallen. ‘Djinn snapt nu niet waarom jij boos bent, want ze weet niet dat ze dat niet op mag eten.’
‘Precies,’ vulde de oudste aan, vanuit een gelijkgestemdheid die ik normaliter aanmoedig maar op momenten als deze verfoei. ‘En het is eigenlijk jouw verantwoordelijkheid om op haar te letten als jij haar los laat lopen.’
Ik slikte een hoop verwensingen in, want ze hadden natuurlijk een punt. Plus, ze herhaalden woordelijk mijn eigen teksten en dat moest ik niet ontmoedigen. Ik was echter nog niet zover dat ik in kon binden en trok me mopperend terug in mijn werkkamer.
Na een half uur dreef mijn caffeïneverslaving me naar de keuken en kon ik het trio in de woonkamer niet langer vermijden. Zij bleken het voorval al achter zich te hebben gelaten, en zaten midden in een spelletje ‘deze vuist op deze vuist’, met hond.
Voorzien van koffie duikelde ik de koektrommel op van de geheime verstopplek en bood de kinderen elk een kaakje aan, als zoenoffer. Ze accepteerden gracieus en daarmee leken we het akkefietje te kunnen archiveren.
De hond, met het geheugen van een goudvis, positioneerde zich tactisch naast haar voederbak en probeerde mijn blik te vangen. Ik opende mijn mond, maar mijn oudste, die geen zin had in een herhaling van zetten, stond snel op. ‘Eén brokje, Djinn, en dan is het klaar.’
Het werkte ook nog.


Plaats een reactie