Kinderen houden van snoep, is alom bekend. Volwassenen overigens ook, maar die weten er meestal iets gecontroleerder mee om te gaan. Meestal he.

Ik moet overigens bekennen dat elke vorm van voedsel die ik op tafel zet binnen luttele seconden in de buikjes verdwijnt, dus dat kan ook zo maar eens per ongeluk een schaal wortels zijn. Maar als de keuze aan de koter is, reikt de hand naar de snoeppot.

Als ouder heb je daarin af te bakenen. Dat ging bij mij lange tijd goed: één of meerdere kinderen diende(n) keurig een verzoek in voor een snoepje, dat ik al dan niet goedkeurde. ‘Nee’ leverde altijd wel wat gedoe op, maar werd uiteindelijk wel geaccepteerd. Zodoende was er in huis altijd wel een acceptabele hoeveelheid zoetigheid voorhanden.

Maar laatst ging het mis. Voor aangeschoven bezoek ging ik op zoek naar de koektrommel, die bij nadere inspectie de bodem had bereikt. Hm. Ik weet het aan mijn gebrekkige geheugen en vulde aan vanuit de voorraadkast.

Ik begon meer nattigheid te voelen toen de volgende twee weken op rij de hagelslag op woensdag op was. Enige naslag van de keukenkastjes toonde aan dat zowel de chocoladevoorraad als de tienpersoons droppot die ik ooit voor Halloween had aangeschaft, van de inhoud ontdaan waren. Ik haalde verhaal bij de oudste, want wie anders, die direct uit de school klapte (ik hoop niet dat zij ooit in het verzet gaat): het waren de dinsdagmiddagvriendjes.

Dinsdag is de dag dat ik op kantoor ben, en de oudste vanuit school alleen naar huis gaat. Het zogenoemde ‘sleutelkind’, wat vroeger altijd zielig was maar in de ogen van de jeugd van tegenwoordig een oneindige bron van mogelijkheden vormt. In elk onbeheerd huis is namelijk wel een extraatje te vinden, in de vorm van schermtijd, zoetigheid of een PlayStation5. Kinderen struinen alle adressen af om er het uiterste qua schermtijd en zoetigheid uit te slepen en bij gebrek aan spelcomputers is ons huis het verzamelpunt voor de meer Bourgondische uitspattingen geworden.

‘Wat het is, mam,’ lichtte de oudste desgevraagd toe, ‘mijn vrienden hebben altijd heel veel honger. En dan gaan ze gewoon op zoek.’ We beschouwden samen de keukenkastjes, die het bewijs hiervoor leverden. Het leek alsof er een zwerm sprinkhanen langsgetrokken was. Zelfs de oudste vond dat het te ver was gegaan.

‘Ik heb een plan,’ sprak ze samenzweerderig. ‘We gaan de snoeppot verstoppen.’

Dat was op zich een goed idee, maar we bedachten al snel dat de dinsdagmiddagschooiers hier natuurlijk niet zouden intrappen en alsnog op strooptocht zouden gaan. Dus besloten we tot de volgende creatieve oplossing: een makkelijk vindbare verstopplek voor een deel van de voorraad, waar de kruimeldieven voldoende mee vooruit zouden kunnen. ‘Ons’ proviand konden we dan op een betere plek onderbrengen.

Het was al ‘s avonds laat toen ik me bedacht hoe uitgekookt deze manoeuvre was. Niet alleen was de eerste provisie publiek bezit geworden, de tweede voorraad (in het verleden mijn eigen handeltje waarvan ik wel eens iets aan mijn kinderen gaf) was nu inene van ‘ons’. Ik wist even niet of ik mijn kind moest straffen of complimenteren met zoveel geslepenheid.

Maar goed, puntje bij paaltje zijn er nu drie verstopplekken in huis, want ik heb toch maar weer eigen reserves aangelegd. Helaas blijk ik het geheugen van een eekhoorn te hebben want ik vergeet continu waar alle lekkernijen zich bevinden.

Ik vraag me intussen af of er straks, net als bij de eekhoorntjes, een hazelnotenboompje zal voortkomen uit de chocoladereep die ik al twee weken kwijt ben.

Best een opbeurende gedachte, als je er bij stil staat.

Plaats een reactie