In mijn vroege jeugd zag ik mijn vader niet zo vaak. Dat was toen nog doodgewoon, ik zag eigenlijk nooit ergens een vader, want die waren altijd aan het werk. Of op de golfbaan, hoorde ik later.
Ondanks ‘s mans afwezigheid koester ik goede herinneringen aan mijn kindertijd en zelfs aan mijn vader tijdens die vroege jaren. Dat hebben we allemaal in hoge mate te danken aan het ritueel van ‘stoeien’. Mijn broers en ik mochten ons dan ‘s avonds in huis verstoppen, in het donker. Mijn vader kwam ons na een tijdje zoeken (soms duurde dat best lang, wat de spanning haast tot het ondraaglijke opvoerde) en wanneer hij je vond, kreeg je de kieteldood.
In alle eerlijkheid weet ik niet zo goed waarom wij kinderen dit vrijwel dagelijks wilden doen, want erop terugkijkend was het echt zenuwslopend . Ik zie me daar nog zitten, bovenop mijn kast (ik koos altijd dezelfde plek), in het pikkeduister, terwijl ik mijn vader al spookgeluiden makend over de gang hoorde aankomen. Ik voel nog steeds de verlammende paniek, vooral als hij de kamer naast de jouwe inging en je in een opgejaagde tweestrijd belandde: moest je snel een andere plek zoeken, met het risico dat je gepakt werd, of durfde je lijdzaam je lot af te wachten?
Er was schijnbaar een nog ergere variant, waarbij wij mijn vader moesten zoeken, maar daar heb ik om één of andere reden geen actieve herinnering aan.
Gek genoeg, los van het feit dat al mijn nachtmerries zich rondom het thema ‘opjagen en verstoppen’ afspelen, kijk ik er met warme gevoelens op terug.
Om die reden opperde ik het stoeien laatst bij mijn kinderen, als gezellige activiteit voor het slapengaan. Ze keken me aan of ik volslagen krankzinnig was geworden.
‘In het donker!?’ schrok de jongste.
‘Spookgeluiden!’ kreet de oudste.
Ik begon, zoals het een hedendaagse ouder betaamd, direct te onderhandelen en na een stevig kwartiertje pingelen kwamen we overeen dat ik de spookgeluiden achterwege zou laten, de zolder off limits was en dat de jongste een klein lampje bij de hand mocht houden, ‘voor het geval dat’. Het ‘dat’ bleef onduidelijk, en aangezien valsspelen bij ons in de familie zit was ik direct op mijn hoede.
Het spel begon. Het duurde ongeveer een jaar voor de dames zich verstopt hadden, dus tegen de tijd dat ik naar boven kon moest ik mijn bed echt actief mijden. Zo groot is mijn huis gelukkig niet, dus ik meende dat het niet te lang zou duren.
Dat heb ik geweten.
Het kostte twintig minuten om de oudste, die kennelijk een slangenmens is, achterin de linnenkast te lokaliseren. De jongste bleef echter onvindbaar. Na nog eens tientallen minuten over de vloer te hebben gekropen, tastend onder kasten waar de stofzuiger blijkbaar nooit komt, trof mijn hand doel onder het bankje in mijn slaapkamer: een voetje. De jongste, die met haar gezicht op oorhoogte zat, zette het van de schrik zo zeer op een krijsen dat de hond groot alarm sloeg, en de buren kwamen informeren of alles ok was. Tenminste, dat denk ik. Ik kon ze niet goed verstaan vanwege de piep in mijn oor.
Nadat iedereen was gekalmeerd en naar huis of de mand was vertrokken begaf ik me de trap op om te controleren of alles reeds in bed lag. Al met al had dit geintje zo ongeveer twee uur geduurd.
‘Dat was leuk!’ joelde de jongste, wiens oren blijkbaar immuun zijn voor haar eigen stemgeluid.
‘Nog een keer!’ stuiterde de oudste.
‘Zijn jullie gek geworden!?’ wist ik uit te brengen. Dit leverde voor de tweede keer die dag een reactie van volslagen onbegrip op. Het was ‘flauw’ en ‘jammer’ dat het zo moest. Ik slikte een hoop in, want dat doe ik altijd, en wist het hele zooitje ondanks het hoge adrenalinegehalte in bed te krijgen.
Beneden onderdrukte ik de neiging om de drankkast te plunderen en stortte neer op de bank, met het voornemen de volgende dag mijn vader te bellen. Om hem te bedanken, of voor gek te verklaren.
Daar was ik nog niet over uit.


Plaats een reactie