Het was vakantie en er moest iets ondernomen worden, dus mijn schoonzus en ik boekten een paar huisjes in een vrolijk vakantiepark met zwembad en midgetgolfbaan. Daar kan je je toch geen buil aan vallen, was de redenatie.
Na acht uur file sleepte ik de overdaad aan bagage naar ons verblijf, terwijl de kinderen de rest van de familie zochten. De nichtjes namen mijn dochters direct op sleeptouw naar het speelparadijs(je), en tot mijn groot genoegen was de Puber ook mee. Hij bleek intussen zijn ‘boeit me niet’ houding tot nieuwe hoogtes ontwikkeld te hebben, en hing nog dieper onderuitgezakt in de hangstoel dan ik mogelijk had geacht. Heerlijk. Hij wilde nog wel meedoen met allerhande kaartspelletjes, dus ik zat gebakken.
In de twee huisjes naast mij bleken gezinnen te vertoeven met elk een stuk of wat krijsende kinderen. Dat hoort er op zich bij in zo’n park, ware het niet dat de ouders in kwestie de aanpak hanteerden ‘als ik het maar lang genoeg negeer, houdt het vanzelf op.’
Dit bleek zeer zeker niet het geval.
Het leidde ertoe dat wij vooral rondhingen bij het huisje van mijn broer, die zich naast het stilste gezin ooit bevond. Op zichzelf een interessante ervaring, aangezien wij nu die luidruchtige, overaanwezige familie waren, een rol waar we zelf nog de meeste moeite mee hadden. Een en andere resulteerde in de nodige uitjes overdag.
Zo gingen we naar Toverland, dat net zoiets is als de Efteling, alleen dan leuker. Het ging dit keer beter dan ons vorige bezoek, aangezien we nu niet met alle volwassenen vast kwamen te zitten in de achtbaan.
De volgende dag bleek de hang naar nieuwe ervaringen nog niet gesust, en opperde mijn broer waterskiën. We namen een kijkje bij de waterplas, constateerden dat het er vreselijk makkelijk uitzag en klopten enthousiast aan bij de balie. Wat dichterbij bekeken begon het enkelen van ons te dagen dat het wellicht niet zo simpel was, waardoor we slechts met een groepje van drie dapperen in een wetsuit werden gehesen.
Nou ben ik nooit gewaterboard, en dat hoop ik zo te houden, maar ik vermoed wel dat deze ervaring hier het dichtste bij komt. Keer na keer moest ik na luttele seconden het touw loslaten om een zekere verdrinkingsdood te voorkomen. Om onduidelijke redenen pikte mijn broer de handigheid irritant snel op en wist het al na een half uur een hele ronde vol te houden. Gezien de befaamde familie competitie was dit ondraaglijk.
Steeds opnieuw vond ik mij terug in de rij naast dezelfde Limburgse dame, die ook niet verder dan twee meter van het startpunt kwam. Gefrustreerd bekeken we de pochende mede-watersporters, met name die vervelende gast die met zijn waterboard steeds een pirouette voor onze neus deed.
‘Patser,’ schamperde de Limburgse.
‘Ik haat hem,’ stemde ik in. We waren instant best friends. Dit moest ook wel, want links en rechts pikten al onze familieleden het trucje wel op. Drie kwartier in ons uur zag ik de Oudste het rondje ogenschijnlijk moeiteloos afronden, terwijl ik aan de kade vastgeklampt liters vijverwater ophoestte.
‘Kom op dames,’ probeerde de begeleider ongepast optimistisch, toen de Limburgse en ik ons voor een laatste maal naar het startpunt hadden gesleept. ‘Bijna iedereen leert het binnen een uur, maar als jullie twee er nog een uurtje aan vast plakken kunnen jullie het zeker.’
‘Sterf,’ mompelde de Limburgse en ik moest de neiging onderdrukken om haar te omhelzen. Terwijl ik haar weer kopje onder zag gaan, zette ik me schrap voor de ruk aan het touw.
‘Probeer het maar een keer vol te houden tot de rode boei,’ zei de begeleider coulant. Blijkbaar had hij onze blikken gevoeld. Hij wees naar een rood speldenpuntje dat kilometers ver weg leek te liggen. Ik verzamelde al mijn moed en hield vast, voorbij de Limburgse die me enthousiast toejuichte.
De rode boei haalde ik niet. Wél de witte.
Toch een overwinning.



Plaats een reactie