We wonen nu alweer een jaar in ons nieuwe huis, dat met allerlei leuke extra’s kwam waar ik niet om gevraagd had maar nu niet meer zonder kan. Zoals de uitgebouwde serre, vloerverwarming in de badkamer (waar de jongste in de winter al liggend haar kleren aantrekt) en, niet de minste, de plantenkas in de achtertuin. Gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen en de prijzen in de supermarkt, leek het me geen onverstandige zet om deze te benutten.

Helaas staan groene vingers nadrukkelijk niet op het lijstje eigenschappen dat mij binnen de genetische verscheidenheid van mijn familie ten deel is gevallen. In andere bewoordingen: het is niet alleen zo dat ik elk gewas dat mijn huis binnentreedt van het leven weet te beroven, hun laatste weken worden ze ook gruwelijk gemarteld. Uiteraard doe ik dit alles met de beste bedoelingen, maar dat maakt het eigenlijk nog erger.

Dus, toen ik bij mensen die mij wat beter kennen aankondigde van zins te zijn de kas te vullen met diverse groene vriendjes, werden de wenkbrauwen gefronst. Voorzichtig wees men op het bestaan van doe-het-zelf-boeken en -filmpjes op moestuingebied. Een en ander werd zelfs preventief op whatsapp gedeeld.

Helaas heb ik de spanningsboog van een neurotische kleuter, dus na drie ondoenlijk langzame filmpjes op YouTube vroegtijdig weg geklikt te hebben besloot ik het op gevoel te doen. Mijn redenatie was dat de kinderen vast wel instinctief zouden weten hoe ze planten levend moesten houden. Dus togen we naar een tuincentrum, vulden de kofferbak met tuinaarde en zaadjes en besteedden een hele middag aan het vullen van groene kraamkamers.

Ik kan niet echt beweren dat het niet goed gaat, maar wel dat de ontwikkeling tergend langzaam verloopt. Het duurde weken voor de eerste kopjes zich lieten zien, en daarna schoot het ook niet bepaald op. Vanwege die voorgenoemde spanningsboog, die ik in het kwadraat terugzie bij mijn nageslacht, besloot ik de natuur een handje te helpen. Stiekem kocht ik een kant en klaar paprikaplantje, waarin twee groene minipaprikaatjes en één lichtrode prijkten.

Toen de kinderen uit school kwamen sleepte ik ze naar de kas, hun botanistische kwaliteiten prijzend. Trots sloegen we elkaar op de schouders: niets leek een zelfvoorzienend bestaan nog in de weg te staan. Dit moest gevierd worden. Voorzichtig plukte de jongste de rode paprika uit het plantje en sneed de oudste het ceremonieel in stukjes. Tevreden zette we onze tanden in het knapperige vruchtvlees.

Achteraf gezien was ik eigenlijk niet eens verbaasd dat het geen paprika’s waren, maar rode pepers. Het is alleen wel jammer dat mijn kinderen deze pijnlijke les met mij moesten ondergaan. Als ik het positief benader zou het best kunnen dat deze traumatische ervaring hun drang om voorbereid en bewust te telen juist aanmoedigt.

Voor het geval dat: ik heb de aardbeienzaadjes al klaarliggen.

Plaats een reactie