We gingen een weekend naar Zeeland, om op te passen op de kinderen van mijn broer. Hij heeft er drie: twee meiden van 5 en 10, en een jongen van 14, die na jarenlange gemoedelijke meegaandheid de puberteit is aangegaan. Feest.
We arriveerden al vroeg, en ik werd voorzien van koffie, taart (ze waren opvallend blij met mijn komst) en mentale voorbereiding. De meiden waren makkelijk, zeiden ze. Maar de oudste had de afgelopen periode een nieuwe persoonlijkheid ontwikkeld. ‘We hebben tegen de puber gezegd dat ie mee moet eten,’ zei mijn schoonzus. ‘En hij moet om half 11 thuis zijn.’ Ik moest het nog zien. Van wat ik begrijp van andere puberouders kan je een hoop tegen dat volk zeggen, maar blijft het daar meestal bij.
Er klonk gestommel op de trap en er dreef een wolk eau de cologne de woonkamer in, gevolgd door de puber. Er leek in de luttele maanden dat ik hem niet had gezien inderdaad een bepaalde slungeligheid in zijn houding geslopen, maar ik kreeg nog wel een knuffel, en daarmee maakte hij al veel goed.
‘We redden ons wel,’ zei ik, en broer en schoonzus vertrokken opgelucht. Ook de puber verdween richting uitgang.
‘Ho es even,’ zei ik, ‘waar gaan wij naartoe?’ Dat klonk wel lekker autoritair, en dat kon nooit kwaad.
‘Vrienden,’ mompelde de puber. ‘Ok,’ antwoordde ik, want hier kon ik niet veel problematisch in ontdekken. ‘Eet je mee vanavond?’
‘Ja, tuurlijk’, zei de puber, en verdween.
Twee uitjes later kwam ik met de vier dames weer thuis en trof de puber op de bank, met twee vrienden dit keer.
Ze gaven me allebei een hand, wat ik aandoenlijk vond, maar maakten vervolgens wel direct aanstalten om te vertrekken. Met dat handenschudden hadden ze blijkbaar alles gegeven.
De puber was ook opgestaan.
‘Zo, neef,’ zei ik, want dat klonk wel hip, ‘wat zijn je plannen?’
‘We gaan naar de snackbar,’ meldde de puber achteloos.
‘Ik vind het allemaal best,’ zei ik, en dat meende ik, want de bank was nu weer van ons. Plus ik hoefde minder te koken. ‘Maar,’ liet ik er op volgen, net toen hij de kamer bijna verlaten had, ‘als je te laat bent, kom ik je halen. In badjas, met krulspelden.’
Ook dat meende ik. Ik had speciaal voor de gelegenheid roze sloffen met konijnenoortjes gekocht en mijn handen, of liever voeten, jeukten om ze uit te proberen.
De puber hield mijn blik even vast. Meende ik dat? Hij heeft een slechte aan mij, want ik geneer me weinig tot nooit. Ik trok een wenkbrauw op, want dat is zo ongeveer het enige trucje dat ik ken, en dat trof doel. De puber vertrok nog steeds, maar ik kreeg nu wél elk uur een update over waar hij uithing. Bovendien was hij maar een half uur te laat thuis, én had hij echt zijn best gedaan creatieve smoezen te verzinnen.
Al met al vond ik het best geslaagd.
De volgende dag werd het nog gekker: de puber at gewoon mee ‘s avonds. En de sfeer was nog plezierig ook! Goed, hij smeerde ‘m na het eten weer, maar ik greep de gelegenheid toch aan om mezelf te bombarderen tot puberfluisteraar. Echt supermakkelijk, die lui!
Het was pas veel later, toen we alweer thuis waren, dat ik van mijn schoonzus vernam dat de puber hen de tweede avond had gebeld, omdat ie geen geld meer had voor de snackbar. Maar ik kies er voor om een gegeven paard niet in de bek te kijken.


Geef een reactie op Ingrid VanGeen Reactie annuleren